Hoogste bestuursrechter verklaart toezichtkosten DNB voor cryptodienstverleners in strijd met wet

Deel dit artikel

Category

GEpubliceerd

CBb oordeelt dat kosten voor registratie ten onrechte zijn doorberekend via toezichtheffingen. Prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie wat betreft onderscheid tussen registratie en vergunning.

24 juni 2025 – Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft vandaag geoordeeld dat De Nederlandsche Bank (DNB) ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht aan cryptodienstverleners voor de jaren 2020 en 2021. Volgens de hoogste bestuursrechter heeft DNB kosten voor eenmalige registratie ten onrechte verwerkt in de jaarlijkse toezichtheffingen. Deze praktijk is in strijd met de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft) en maakt de vastgestelde tarieven onverbindend.

Achtergrond

De cryptodienstverleners, vertegenwoordigd door branchevereniging VBNL, zijn de juridische procedure tegen DNB gestart vanwege de buitensporig hoge toezichtkosten. Volgens de VBNL gingen de kosten en de gestelde eisen verder dan wat de Europese wetgever heeft beoogd, waardoor Nederlandse bedrijven zijn geconfronteerd met een onevenredige financiële en administratieve last.

Registratiekosten zijn geen toezichtkosten

Vanaf mei 2020 (voorafgaand aan MiCAR) dienden aanbieders van bepaalde cryptodiensten zich bij DNB te registreren. De eenmalige registratiekosten van €5.000 zijn afzonderlijk vastgesteld. Toch rekende DNB aanvullende kosten door via jaarlijkse toezichtheffingen, terwijl deze grotendeels betrekking hadden op het registratieproces. Het CBb bevestigt nu dat dit in strijd is met de wettelijke systematiek: kosten voor eenmalige handelingen mogen niet worden verrekend via doorlopende toezichtheffingen.

2020 Heffingen: vernietiging kostenbesluiten

Voor het jaar 2020 heeft het CBb een einduitspraak gedaan. De besluiten van DNB over de toezichtheffingen 2020 worden vernietigd. DNB moet opnieuw op de bezwaren van de cryptodienstverleners beslissen, met inachtneming van de uitspraak.

2021 Heffingen: verwijzing naar Hof van Justitie Europese Unie

Voor het jaar 2021 is de procedure nog niet afgerond. Het CBb heeft besloten een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie van de Europese anti-witwasrichtlijn (richtlijn (EU) 2015/849). Totdat het Europese Hof een oordeel heeft geveld, wordt de procedure opgeschort. De vraag ziet op het onderscheid tussen een registratie- en een vergunningsregime.

Reactie branchevereniging

De branchevereniging van cryptodienstverleners is verheugd over deze uitspraak:

“Deze beslissing is een belangrijke erkenning van de rechtspositie van onze leden. Het bevestigt dat kosten transparant, wettelijk onderbouwd en proportioneel moeten zijn. We hopen dat deze uitspraak bijdraagt aan een zorgvuldiger en eerlijker kostenkader. Daarnaast biedt deze uitspraak een belangrijke stap richting een meer gelijk speelveld binnen de Europese Unie. In andere lidstaten worden voor vergelijkbare diensten aanzienlijk lagere toezichtkosten in rekening gebracht. De uitspraak helpt om de Nederlandse praktijk beter in lijn te brengen met het Europese gemiddelde, wat essentieel is voor eerlijke concurrentie in de snelgroeiende cryptosector.